Wie zijn daders van agressie en geweld tegen hulpverleners? Het antwoord is complexer dan je denkt
Home /
Wie zijn daders van agressie en geweld tegen hulpverleners? Het antwoord is complexer dan je denkt
/
20-1-2026

Wie zijn daders van agressie en geweld tegen hulpverleners? Het antwoord is complexer dan je denkt

Hoewel verdachten van agressie en geweld tegen hulpverleners vaak jonge mannen zijn met een kwetsbare sociaaleconomische positie, laat nieuw onderzoek zien dat er géén eenduidig daderprofiel bestaat.

Verdachten/daders van agressie en geweld tegen hulpverleners zijn meestal jonge mannen, gemiddeld lager opgeleid en met een lager inkomen dan de algemene bevolking. Driekwart van hen heeft antecedenten en ruim de helft is eerder verdachte geweest van een geweldsmisdrijf. Toch zijn er ook aanzienlijke verschillen in kenmerken, achtergronden en motieven binnen de groep daders. Er bestaat dan ook géén eenduidig daderprofiel. Het verloop van incidenten, de context en interacties spelen minstens zo’n grote rol.

 

Kenmerken en motieven

DSP deed in samenwerking met Ipsos I&O en in opdracht van het WODC onderzoek naar de kenmerken en motieven van verdachten van agressie en geweld tegen politie, boa’s, brandweer en ambulance. Daarbij werd voor het eerst politiedata gekoppeld aan CBS‑microdata, goed voor een unieke en brede analyse van vijf jaar aan incidenten.

Gebruik van CBS-microdata

Het onderzoek bestond naast deskresearch, interviews en sessies met expert-onderzoekers, professionals uit de beroepsgroepen, advocaten en data-specialisten uit een analyse van politiedata gekoppeld aan CBS-microdata. Daarmee konden gegevens van alle verdachten/daders van de afgelopen vijf jaar worden geanalyseerd. Deze unieke analyse leverde waardevolle inzichten op over kenmerken van verdachten/daders en incidenten.

dader kenmerken

Een diverse groep, zonder vast profiel

Ten opzichte van de Nederlandse bevolking zijn mannen tussen 18 en 29 jaar sterk oververtegenwoordigd in de groep verdachten/daders. Incidenten met 50-plussers komen minder vaak voor. De sociaaleconomische positie van verdachten/daders is meestal kwetsbaar. Ze zijn gemiddeld lager opgeleid, hebben een lager inkomen en ontvangen vaker een uitkering. Ongeveer 30% van de groep is in de afgelopen vijf jaar geregistreerd vanwege zogeheten onbegrepen gedrag. Driekwart van hen heeft antecedenten, ruim de helft was eerder verdachte van een geweldsmisdrijf.

Toch lopen motieven uiteen. Frustratie, machteloosheid of ervaren onrecht spelen vaak een rol, maar ook spontane escalaties tijdens een interactie met hulpverleners komen veel voor. Middelengebruik en groepsdruk vergroten het risico op geweld. Tussen beroepsgroepen bestaan verschillen: zo zijn verdachten bij incidenten tegen politie en boa’s gemiddeld jonger en vaker bekend vanwege eerdere misdrijven dan bij incidenten tegen brandweer en ambulance. Maar ondanks al deze inzichten blijft één conclusie overeind: de groep daders is te divers voor vaste, betrouwbare profielen.

 

Waar en wanneer escaleert het?

Incidenten vinden vooral plaats in de openbare ruimte van grote steden, met Amsterdam, Rotterdam en Den Haag als uitschieters. De meeste escalaties gebeuren ’s avonds, ’s nachts en in het weekend. Rond oud en nieuw is de piek extra hoog. Algemene triggers zijn er niet. De escalatie hangt samen met wie betrokken zijn, hoe de situatie zich ontwikkelt en hoe beide partijen handelen. Handhavend optreden kan soms een rol spelen, maar is zeker niet altijd de oorzaak.

“Om agressie en geweld tegen hulpverleners te duiden, is het samenspel tussen verdachte, betrokkenen, gedrag en context cruciaal.”

Implicaties voor aanpak geweld tegen hulpverleners

Agressie en geweld tegen hulpverleners blijkt het resultaat van een samenspel: persoonskenmerken, gedrag, context en interacties grijpen voortdurend in elkaar. Een aanpak die uitsluitend naar daderkenmerken kijkt, schiet tekort. Training in risicobewust en de‑escalerend optreden, evenals samenwerking tussen disciplines, blijkt essentieel.

Tot slot constateren we dat er al veel kennis is, maar dat deze nog onvoldoende wordt toegepast in de praktijk. Betere benutting van inzichten, vaker oefenen en durven experimenteren zijn nodig om geweld echt terug te dringen en “paralysis by analysis” te voorkomen.

Voor meer informatie kun je contact opnemen met:

Lotje Krouwel

Lotje Krouwel

Onderzoeker en adviseur

“Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet.”

Manja Abraham

Manja Abraham

Senior onderzoeker

“Nieuwsgierig en kritisch.”

Salama Konaté

Salama Konaté

Onderzoeker en adviseur

“Ik geloof dat elk onderzoek sterker wordt door niet alleen óver de mensen te praten om wie het gaat, maar om met ze in gesprek te gaan.”

Suggesties

Ook interessant om te lezen?