Wie zijn daders van agressie en geweld tegen hulpverleners? Het antwoord is complexer dan je denkt
Verdachten/daders van agressie en geweld tegen hulpverleners zijn meestal jonge mannen, gemiddeld lager opgeleid en met een lager inkomen dan de algemene bevolking. Driekwart van hen heeft antecedenten en ruim de helft is eerder verdachte geweest van een geweldsmisdrijf. Toch zijn er ook aanzienlijke verschillen in kenmerken, achtergronden en motieven binnen de groep daders. Er bestaat dan ook géén eenduidig daderprofiel. Het verloop van incidenten, de context en interacties spelen minstens zo’n grote rol.
Kenmerken en motieven
DSP deed in samenwerking met Ipsos I&O en in opdracht van het WODC onderzoek naar de kenmerken en motieven van verdachten van agressie en geweld tegen politie, boa’s, brandweer en ambulance. Daarbij werd voor het eerst politiedata gekoppeld aan CBS‑microdata, goed voor een unieke en brede analyse van vijf jaar aan incidenten.
Gebruik van CBS-microdata
Het onderzoek bestond naast deskresearch, interviews en sessies met expert-onderzoekers, professionals uit de beroepsgroepen, advocaten en data-specialisten uit een analyse van politiedata gekoppeld aan CBS-microdata. Daarmee konden gegevens van alle verdachten/daders van de afgelopen vijf jaar worden geanalyseerd. Deze unieke analyse leverde waardevolle inzichten op over kenmerken van verdachten/daders en incidenten.
Een diverse groep, zonder vast profiel
Ten opzichte van de Nederlandse bevolking zijn mannen tussen 18 en 29 jaar sterk oververtegenwoordigd in de groep verdachten/daders. Incidenten met 50-plussers komen minder vaak voor. De sociaaleconomische positie van verdachten/daders is meestal kwetsbaar. Ze zijn gemiddeld lager opgeleid, hebben een lager inkomen en ontvangen vaker een uitkering. Ongeveer 30% van de groep is in de afgelopen vijf jaar geregistreerd vanwege zogeheten onbegrepen gedrag. Driekwart van hen heeft antecedenten, ruim de helft was eerder verdachte van een geweldsmisdrijf.
Toch lopen motieven uiteen. Frustratie, machteloosheid of ervaren onrecht spelen vaak een rol, maar ook spontane escalaties tijdens een interactie met hulpverleners komen veel voor. Middelengebruik en groepsdruk vergroten het risico op geweld. Tussen beroepsgroepen bestaan verschillen: zo zijn verdachten bij incidenten tegen politie en boa’s gemiddeld jonger en vaker bekend vanwege eerdere misdrijven dan bij incidenten tegen brandweer en ambulance. Maar ondanks al deze inzichten blijft één conclusie overeind: de groep daders is te divers voor vaste, betrouwbare profielen.
Waar en wanneer escaleert het?
Incidenten vinden vooral plaats in de openbare ruimte van grote steden, met Amsterdam, Rotterdam en Den Haag als uitschieters. De meeste escalaties gebeuren ’s avonds, ’s nachts en in het weekend. Rond oud en nieuw is de piek extra hoog. Algemene triggers zijn er niet. De escalatie hangt samen met wie betrokken zijn, hoe de situatie zich ontwikkelt en hoe beide partijen handelen. Handhavend optreden kan soms een rol spelen, maar is zeker niet altijd de oorzaak.
Implicaties voor aanpak geweld tegen hulpverleners
Agressie en geweld tegen hulpverleners blijkt het resultaat van een samenspel: persoonskenmerken, gedrag, context en interacties grijpen voortdurend in elkaar. Een aanpak die uitsluitend naar daderkenmerken kijkt, schiet tekort. Training in risicobewust en de‑escalerend optreden, evenals samenwerking tussen disciplines, blijkt essentieel.
Tot slot constateren we dat er al veel kennis is, maar dat deze nog onvoldoende wordt toegepast in de praktijk. Betere benutting van inzichten, vaker oefenen en durven experimenteren zijn nodig om geweld echt terug te dringen en “paralysis by analysis” te voorkomen.