Je gaat het pas zien als je het doorhebt

Afgelopen jaren werd in de media geregeld gesuggereerd dat gedetineerden hun criminele activiteiten konden voortzetten tijdens hun verblijf in een gevangenis. Maar hoe vaak gebeurt dit écht? Tot op heden is er maar weinig bekend over de aard en omvang van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie (VCHD). Eerdere (vertrouwelijke) onderzoeken richtten zich vooral op VCHD bij zogenaamde ‘beroepscriminelen’. Veel minder weten we over de mate waarin andere gedetineerden hun criminele activiteiten voortzetten tijdens detentie en in hoeverre dit ook voorkomt in de Justitiële Jeugdinrichtingen waar minderjarigen verblijven.

Verkennend onderzoek naar VCHD

In opdracht van Politie en Wetenschap heeft DSP-groep een verkennend onderzoek uitgevoerd naar VCHD. Dit onderzoek richt zich op de aard, omvang en aanpak. Het onderzoek bestaat uit twee delen: een inventariserend onderzoek naar wat al bekend is over het fenomeen en een verdieping in de vorm van een actiegericht praktijkonderzoek in twee Penitentiaire Inrichtingen (PI) en een Justitiële Jeugdinrichting (JJI).

Daders en slachtoffers VCHD
Uit ons onderzoek in drie inrichtingen blijkt dat niet alleen beroepscriminelen zich bezighouden met VCHD. Ook andere (jeugdige) gedetineerden doen dat, uit eigen vrije wil of onder dwang van andere gedetineerden. We zien daarbij ‘leiders’ en ‘slachtoffers’. De ‘leiders’ blijven vaak buiten beeld, omdat niet valt te bewijzen dat deze gedetineerden zich schuldig maken aan VCHD, maar signalen wijzen wel in hun richting.

Kwetsbare gedetineerden
Kwetsbare gedetineerden, bijvoorbeeld gedetineerden met een (licht) verstandelijke beperking, lopen het risico door de leiders ingezet te worden voor het plegen van VCHD. Dit gaat gepaard met bedreiging en afpersing. Deze groep is dus zowel dader als slachtoffer. Hiermee raakt VCHD niet alleen de veiligheid binnen de inrichtingen, maar creëert het ook een omgeving waarin de kansen op resocialisatie van de brede groep gedetineerden negatief worden beïnvloed.

Aard en omvang VCHD
In ons onderzoek hebben we een kwalitatief beeld verkregen van de aard en omvang door te kijken naar signalen van VCHD. Dagelijks worden door medewerkers in de inrichtingen signalen gezien die (mogelijk) wijzen op VCHD. In de PI’s leverde het onderzoek naar aard en omvang onderstaand beeld op:Voortgezet crimineel handelen in detentie

  • Frequent tot dagelijks worden signalen opgevangen van gedetineerden die zich samen isoleren, gedetineerden die opvallend sociaal wenselijk gedrag vertonen, het (vermoeden van het) bezit van een telefoon, het invoeren van contrabande en drugsbezit.
  • Signalen die regelmatig worden opgevangen (tot een paar keer per maand) zijn gedetineerden die niet met verlof willen gaan, gesprekken tussen gedetineerden over criminele activiteiten, onlogische contacten tussen gedetineerden, verdachte geldstortingen en het afpersen en bedreigen van medegedetineerden.
  • Signalen die af en toe (naar schatting eens in de paar maanden tot maandelijks) worden opgevangen zijn gedetineerden die vragen om overplaatsing waarbij het vermoeden is dat dit gebeurt omdat ze onder druk worden gezet in verband met VCHD, gedetineerden die hun bezoek proberen te ontlopen, gedetineerden die hun bezoek niet kennen, bezoekers die van plaats wisselen tijdens het bezoek, personen uit het criminele netwerk die op bezoek komen in de inrichting, het spreken in codetaal en onderschepte brieven met daarin signalen van VCHD, het zoeken naar plekken voor het verstoppen van contrabande, het bezit van dure spullen en het handelen in drugs.

In de JJI werden dezelfde signalen waargenomen, maar minder frequent.

Knelpunten bij melden signalen
Bij de aanpak van VCHD zijn de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de politie en het OM betrokken. Het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) is als landelijk informatieknooppunt de schakel tussen de partijen. Het onderzoek laat zien dat het signaleren van VCHD (penitentiaire scherpte) weinig prioriteit heeft, en ook het melden van signalen kent een aantal knelpunten:

  • Medewerkers ervaren spanning tussen de verschillende rollen die zij hebben ten aanzien van gedetineerden.
  • Medewerkers zijn terughoudend met het delen van (zachte) signalen tot ze er 100% zeker van zijn.
  • Signalen worden niet goed geregistreerd.
  • Partijen weten elkaar niet altijd te vinden en communicatie verloopt soms moeizaam.

Wanneer signalen van VCHD worden gezien en gemeld, worden deze zeer beperkt opgevolgd. Hier liggen de volgende knelpunten aan ten grondslag:

  • Medewerkers in de inrichtingen ervaren dat zij slechts beperkte handelingsmogelijkheden hebben. Zij zijn niet opgeleid of bevoegd voor het opsporen van strafbare feiten.
  • VCHD heeft geen hoge prioriteit bij politie en OM. Zeker als er geen openstaand onderzoek meer is, worden signalen vanuit de inrichtingen zelden opgevolgd.

Tot slot
Binnen de drie onderzochte inrichtingen wordt ingezet op het aanpakken en voorkomen van VCHD, maar dit wordt gedaan door slechts een deel van de medewerkers en niet structureel. De verwachting is dat er in veel andere inrichtingen (nog) minder aandacht is voor dit onderwerp. Het ontbreken van eenduidigheid over waar de betrokken partners gezamenlijk hun capaciteit op moeten inzetten, maakt het aanpakken van VCHD moeizaam. Dit onderzoek maakt de behoefte aan het gezamenlijk stellen van prioriteiten duidelijk. De samenwerking op strategisch niveau is de afgelopen jaren verbeterd, maar op de werkvloer wordt nu nog niet gericht samengewerkt aan de aanpak en preventie van VCHD.

Publicatie

Lees hieronder de publicatie van Politie en Wetenschap.
Lees ook het persbericht van Politie en Wetenschap.
Lees hier het uitgebreide artikel in De Volkskrant (18-12-2018).

Meer weten over de voortgezet crimineel handelen?

Neem dan contact op met Aniek Verwest. Zij vertelt u er graag meer over.

Aniek Verwest Aniek Verwest
Senior adviseur/partner